Pimmetje Pimpelmees

Pimmetje woont met z’n vader, moeder, broertjes en zusjes in een holletje in een dikke boom. En die boom staat in een heel groot bos. Maar zij wonen aan de aan de rand, want als
Pimmetje het bospad afvliegt, is hij heel gauw het bos uit en dan ziet hij de huizen van het dorp. Daar komt z’n vader vaak om eten te zoeken, want veel mensen in het dorp hebben een voederhuisje in de tuin en daar ligt altijd wel wat lekkers in.

Pimmetje mag daar nooit alleen naar toe, want daar vindt vader hem nog wat te klein voor. Maar Pimmetje vindt het in bos ook best fijn, hij speelt vaak met Kareltjes Mus, z’n vriendje.
Vandaag spelen Kareltje en Pimmetje ook weer samen. Ze spelen “riep, piep, piep waar ben ik?” En dan gaat Kareltje zich verstoppen en moet Pimmetje hem zoeken.

Als ze het een paar keer hebben gespeeld, vinden ze het niet leuk meer. Samen zitten ze op het bospad. “Wat zullen we nou gaan doen?” vraagt Pimmetje. Kareltje denkt na en opeens gaan z’n oogjes glimmen.

“Zullen we naar het dorp gaan? Ik weet een voederhuis waar altijd héél veel lekkers ligt, ik ben er al een keer geweest met m’n pappa en ik weet heel goed de weg.”

Pimmetje kijkt heel bedenkelijk, “dat mag niet” zegt hij. Maar als Kareltje zegt dat ze het thuis niet zullen vertellen en gauw terug zullen gaan, zegt Pimmetje: “Goed dan, ik heb eigenlijk ook best honger gekregen van het spelen.”

En samen gaan ze op pad. Ze zijn al, vlug het bos uit en komen bij het dorp. “Deze kant op, zegt Kareltje en Pimmetje volgt hem netjes tot ze bij het voederhuis komen. Er ligt van alles in: broodkruimels, zaadjes, een vetbol, een pindasnoer… oh z6veel. De vogeltjes smullen van al dat lekkers. Ze vergeten om af en toe eens naar de lucht te kijken wanneer het donker wordt.
Als Pimmetje z’n buikje vol heeft, kijkt hij om zich heen waar Kareltje zit. Dan ziet hij de lucht: Die wordt al donker.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *